| Symptomen. |

Afb.2 |
- Vermoeidheid doordat het hart steeds minder bloed naar de spieren pompt en deze dus van minder zuurstof en voedingstoffen worden voorzien.
- Kortademigheid door de ophoping van vocht in de longen. Bij inspanning meer last dan in rust.
- Prikkelhoest (vooral bij platliggen).
- Een opgeblazen gevoel en minder eetlust door ophoping van vocht in de buik, de lever en de darmen.
- Dikke benen door vocht in de benen.
- Verminderde eetlust.
- Gewichtstoename door vasthouden van vocht.
- Vergeetachtigheid en gebrek aan concentratie als de hersenen minder zuurstof krijgen.
|
| Wie één of meer van de bovenstaande symptomen heeft, hoeft niet altijd hartfalen te hebben. Iedereen voelt zich wel eens moe. Iedereen slaapt wel eens slecht. Een opgeblazen gevoel is op zich ook niet zo vreemd. Geen redenen dus om er meteen ongerust van te worden. Bij hartfalen gaat het meer om de combinatie van klachten. |
|
| |
|
Oorzaken
De oorzaken van hartfalen lopen uiteen: |
- Een eerder hartinfarct, dat het hartspierweefsel zodanig heeft beschadigd dat het hart niet genoeg pompkracht meer kan genereren om het bloed rond te pompen.
- Arteriële hypertensie ( hoge bloeddruk ). Doordat het hart constant moet pompen tegen een verhoogde druk vermindert geleidelijk aan de efficiënte werking van de pomp. Dit kan uiteindelijk leiden tot hartfalen.
- Een aangeboren afwijking van de hartkleppen kan de oorzaak zijn dat het bloed niet alleen de aorta in wordt gepompt maar ook weer terug de hartkamer in.
- De slagaderen kunnen deels verstopt zijn en kunnen de aderen verhard zijn door een te hoog cholesterolgehalte. Dit zorgt er voor dat de bloeddruk stijgt. Als deze te hoog wordt, dan is het hart niet meer in staat het bloed met de juiste snelheid rond te pompen.
|
| |
|
Diagnose
Om de oorzaak van hartfalen op te sporen heeft de arts verschillende mogelijkheden. |
|
- Elektrocardiogram (ecg)
Met behulp van een aantal plakkers op armen, benen en borst wordt het elektrische stroomverloop door het hart zichtbaar gemaakt. Dit onderzoek is pijnloos.
Om bijvoorbeeld ritmestoornissen op te sporen, kan het nodig zijn om het ECG gedurende langere tijd te bekijken. Dat kan via een draagbaar bandrecordertje. Dit wordt Holterregistratie (24-uurs registratie) genoemd.
Om te kijken hoe het hart en de bloedsomloop zich gedragen bij inspanning, worden inspanningstesten uitgevoerd. De inspanning bestaat uit het lopen op een lopende band of fietsen op een hometrainer. Tijdens en na de inspanningstest worden het ECG en de bloeddruk regelmatig gemeten. Soms wordt ook de hoeveelheid zuurstof, die wordt opgenomen uit de lucht, gemeten. Hiervoor moet u dan door een mondstuk ademen.
|
- Echocardiografie
Met behulp van ultrageluidsgolven worden allerlei doorsnedenbeelden van het hart gemaakt. Hierdoor ontstaat meestal een goed beeld van de hartafwijking. Bovendien kunnen op diverse plaatsen in het hart de snelheid en de richting waarin het bloed stroomt, worden gemeten (doppler). Dit onderzoek is pijnloos en onschadelijk, maar stilliggen bij dit onderzoek is noodzakelijk.
Om een beter beeld te krijgen (er zit dan geen longweefsel tussen) wordt soms een echocardiogram vanuit de slokdarm gemaakt (Slokdarmecho). Voor dit onderzoek moet een slang doorgeslikt worden. Dit wordt vaak als niet prettig ervaren.
|
- Elektrofysiologisch onderzoek (EFO)
Bij een EFO worden katheters met verschillende functies in de lies en/of de arm ingebracht. Via de katheters kunnen prikkels en/of stoffen aan het hart worden toegediend. Met behulp van deze prikkels en/of stoffen kan worden bepaald hoe het hart reageert op verschillende omstandigheden en wat er eventueel mis gaat. Zodoende weet de cardioloog welke behandeling u moet krijgen. Het onderzoek kan 1 tot 4 uur duren en kan als vervelend worden ervaren omdat tijdens het onderzoek hartritmestoornissen kunnen optreden.
|
- Bloedonderzoek
In het laboratorium wordt gekeken of in het bloed stoffen zitten die vrijkomen bij het afsterven van een deel van de hartspier. Na enkele uren zijn de eerste uitslagen bekend; na enkele dagen kan de arts vertellen hoe groot de schade is.
Bij hartfalen wordt bijna altijd bloedonderzoek gedaan. Uit het bloed kan blijken dat een schildklieraandoening of nierziekte de oorzaak van het hartfalen is. Verder kan men aan het bloed zien of andere organen last hebben van het hartfalen.
Tijdens de behandeling van hartfalen zal men het bloed vaker onderzoeken. Aan de hand van bijvoorbeeld de nierfunctie en het zoutgehalte van het lichaam weet de arts of u de medicijnen goed verdraagt en of u er precies genoeg krijgt.
|
|
|
- Beluisteren van hart en longen
De arts kan door het beluisteren van hart en longen beoordelen of er vocht in de longen zit (decompensatio) en ook kan de werking van de hartkleppen beoordeeld worden. Het beluisteren van hart en longen is een onderdeel van het lichamelijk onderzoek.
|
- Röntgenfoto (X-thorax), van hart en longen
Met een röntgenfoto van de borst kan iets worden gezegd over de grootte en vorm van het hart en ook iets over de doorbloeding van de longen. Ook dit onderzoek is pijnloos, maar er worden wel (zij het geringe hoeveelheden) röntgenstralen bij gebruikt. Gelukkig zijn nadelige effecten van deze straling door het gebruik van moderne apparatuur erg laag.
|
| |
|
Behandeling
Als de diagnose hartfalen is gesteld door de cardioloog wordt geprobeerd eerst de oorzaak van dit hartfalen te behandelen.
De twee belangrijkste behandelmogelijkheden: |
- Operatief behandelen:
Soms kan de oorzaak van hartfalen worden behandeld. De klachten worden dan vaak minder. In een aantal gevallen zijn de kransslagaders (de slagaders die om het hart heen lopen) vernauwd. Daardoor krijgt het hart onvoldoende zuurstof om het bloed krachtig rond te pompen. Een omleidingoperatie (bypass) kan dan uitkomst bieden. Afwijkingen aan de hartkleppen kunnen ook met een operatie worden behandeld. Voor een zeer beperkte groep is harttransplantatie een mogelijkheid.
Voor de meeste patiënten is hartfalen een chronische aandoening. Bij de huidige stand van de medische wetenschap zijn behandelingen mogelijk om de pompfunctie van het hart zo goed mogelijk in te stellen en zijn er nieuwe medicijnen die de pompkracht van het hart soms gedeeltelijk vergroten. Pacemaker?!?
- Medicatie.
De medicijnen die het meest worden gegeven zijn gericht op:
- Verbeteren van de pompkracht van het hart.
- Verwijderen van overtollig vocht in het lichaam (plasmiddel).
- Verlagen van de bloeddruk, waardoor er minder kracht per hartslag nodig is.
- Een gunstig effect op een afwijkend hartritme
De nieren zullen hierdoor meer vocht en zout gaan uitscheiden, dus het overtollige vocht wordt effectief aangepakt. Benauwdheidklachten of oedeem kan belangrijk afnemen. Welk plasmiddel u krijgt is een keuze van de arts. De opmerking goed drinken bij het gebruik van plastabletten wordt vaak opgevat dat extra veel gedronken moet worden. Als er extra veel gedronken wordt is het effect van het plasmiddel een stuk minder. Het beste is 1,5 tot 2 liter water op een dag.
De basis van de behandeling van hartfalen bestaat uit:
- Medicijnen
- Aanpassing van eet- en drinkpatroon
- Aanpassing van de leefgewoonte
|
| |
|
| 1. De belangrijkste steunpilaar van de behandeling bent u zelf: |
- Neem de medicijnen dagelijks in, volgens voorschrift
- Voorkom overgewicht
- Houdt u aan het zoutbeperkte dieet
- Drink niet meer dan 1,5 liter per dag, tenzij anders afgesproken
- Weeg u dagelijks en meld veranderingen
- Blijf zoveel mogelijk in beweging, dit afgewisseld met rustperioden
- Neem in ieder geval een middagrust van anderhalf à twee uur
- Rook niet
- Beperk alcoholgebruik tot één glas per dag tenzij de arts anders adviseert
|
| 2. De tweede pijler van de behandeling is de verpleegkundige: |
- Zij/hij informeert over de ziekte en hoe er mee om te gaan
- Zij/hij is aanspreekpunt wanneer er problemen zijn
- Zij/hij overlegt met de arts of de medicijnen of richtlijnen veranderd moeten worden
- Zij/hij doet bloedonderzoek als controle op de werking van de medicijnen.
|
|
| 3. De arts is de derde pijler van de behandeling. De arts bepaalt welke combinatie van medicijnen voor u het meest geschikt is. |
| |
|
Wat is de rol van de fysiotherapeut in het behandelproces?
Per patiënt zijn de behandeldoelen verschillend. Hieronder vind je enkele voorbeelden van eventuele behandeldoelen: |
- Inzicht geven in de belasting en belastbaarheid van de patiënt.
- Het leren kennen van lichamelijke grenzen. De patiënt inzicht geven welke inspanning hij of zij aankan.
- Het leren omgaan met de lichamelijke grenzen.
- Optimaliseren van het inspanningsvermogen.
- Overwinnen angst voor inspanning.
- Ontwikkelen van een actieve levenstijl.
- Kennis vergaren over preventie.
- Ontspanningsinstructie.
|
Voorbeelden van hartfalen:
Angina pectoris
Dit ontstaat als de hartspier te weinig zuurstof krijgt. Om goed het bloed door het lichaam te kunnen pompen heeft de hartspier zelf ook zuurstofrijk bloed nodig. Dit zuurstofrijke bloed krijgt de hartspier via een apart systeem van bloedvaten; via de zogenoemde kransslagaderen. Op momenten dat het hart sneller moet pompen, zoals bij lichamelijke inspanning of bij emotionele opwinding, is er meer zuurstof nodig. Krijgt het hart dit niet op tijd, dan ontstaan er verschijnselen als pijn en/of een drukkend onaangenaam gevoel op de borst, soms uitstralend naar de hals en de armen. De beklemming op de borst geeft een gevoel van benauwdheid. Deze verschijnselen worden angina pectoris genoemd. Een aanval duurt meestal enige minuten en gaat vaak met rust weer over.
Het vermogen van de kransslagaderen om het hart van bloed te voorzien is beperkt bij mensen die een aandoening aan de kransslagaderen hebben, bijvoorbeeld arteriosclerose (= slagaderverkalking). Door arteriosclerose worden de kransslagaderen nauwer en komt de vrije doorstroming van het bloed in de knel. Dit is een proces van jaren en de patiënt heeft er geen last van tot de eerste angina pectoris aanval; dan bestaat er al een flinke vernauwing van de kransslagaderen.
Angina pectoris kan de patiënt belemmeren in de dagelijkse bezigheden, zeker als de aanvallen al bij geringe inspanningen optreden. Lang niet iedereen met angina pectoris krijgt op den duur een hartinfarct (zie myocard infarct), maar de kans daarop is wel groter. Het is dan belangrijk de risicofactoren te beperken door te stoppen met roken, af te vallen, gezonder te eten en meer te bewegen. In Nederland hebben enkele honderdduizenden mensen last van angina pectoris. Het komt bij mannen vooral voor boven de veertig; vrouwen krijgen meestal klachten op latere leeftijd, na de overgang. Boven de zestig is het percentage mannen en vrouwen met angina pectoris gelijk.
De behandeling bestaat uit geneesmiddelen om de aanvallen te voorkomen (de zogenaamde nitraten, ß-blokkers of Ca-antagonisten) en om deze af te breken (nitraten). In ernstige gevallen zal men proberen door een operatie of dotterprocedure de vernauwing op te heffen. |
Hartinfarct
Het hart is een grote spier die het bloed door het lichaam pompt. Voor deze arbeid heeft het hart voeding en zuurstof nodig. Dit haalt hij uit het bloed. Door het hart lopen twee aders, de linker en rechter kransslagader. Deze twee aders verzorgen de doorbloeding van het hart, ze vertakken zich tot kleine haarvaatjes die het hele hart verzorgen. Bij een hartinfarct raakt een kransslagader op een bepaalde hoogte verstopt en krijgt het spierweefsel van het hart geen zuurstof meer. Als dit te lang duurt, sterft er spierweefsel af. Dit te kort aan zuurstof geeft een brandende drukkende pijn op de borst (Angina Pectoris) met vaak uitstraling naar de linkerarm. Het afgestorven spierweefsel verandert in bindweefsel en kan dus niet meer samentrekken. Het hart verliest hierdoor pompkracht.
De plaats waar de kransslagader verstopt is maakt veel uit voor de gevolgen van het infarct. Hoe hoger de ader is afgesloten hoe groter het stuk spierweefsel dat geen zuurstof krijgt. Lager in de kleinste haarvaatjes raakt er minder spierweefsel afgesloten. Niet alleen de plaats, van de afsluiting, in de ader is van belang ook of het de linker- of de rechter kransslagader betreft maakt veel verschil. De rechter kransslagader verzorgt de rechter boezem en de rechter kamer. Het bloed stroomt vanuit het lichaam de rechter boezem in. De boezem pompt het door naar de rechterkamer. Hier begint de zo genoemde kleine bloedsomloop. Vanuit de rechterkamer wordt het bloed naar de longen gepompt. Hier komt het zuurstofarme bloed in aanraking met de longen en neemt weer nieuw zuurstof op. Vanuit de longen komt het bloed in de linkerboezem. De linkerboezem pompt het bloed naar de linkerkamer. De linkerkamer heeft de sterkste spierbuik van het hele hart, want vanuit deze kamer moet het bloed het hele lichaam door worden gepompt. Het is dus het meest gevaarlijk als de linkerkant wordt getroffen door een infarct. Dit deel van het hart moet het meeste werk verzeten. |
Risicofactoren
Het hartinfarct is een 'welvaartsziekte' die opgang heeft gemaakt na de Tweede Wereldoorlog. Het leven is veel gejaagder dan dat van de voorouders. Er wordt meer en vooral ongezonder gegeten."Even snel een hamburgertje halen!"
Aan die welvaart zijn risico's verbonden. Een van die risico's is het hartinfarct. De kans op een hartinfarct wordt beïnvloed door zogenaamde 'risicofactoren'. De bekendste risicofactoren zijn: |
- Roken
- Arteriosclerose (een vaatziekte die de aderen vernauwt)
- Verhoogde bloeddruk
- Overgewicht
- Een te hoog cholesterolgehalte
- Weinig lichamelijke beweging
- Veel stress
|
Klik voor meer informatie over deze onderwerpen op deze link en bezoek de site van de: http://www.hartstichting.nl/ |
| |