Ziektebeelden >Etalagebenen
Wat is Perifeer arterieel vaatlijden en Etalagebenen? 1
Als gevolg van afzetting van vet (plaques) in de wand van de slagader en verharding of ‘verkalking’ van de wand van slagaders kan er een vernauwing ontstaan. Het proces van slagaderverkalking noemen we arteriosclerose.
Vaatvernauwingen komen vaker voor op plaatsen waar slagaders zich splitsen, bijvoorbeeld op de plaats waar de aorta (de grote lichaamsslagader) zich splitst in een slagader naar het linker en het rechterbeen. De vernauwingen kunnen in een of beide benen voorkomen, maar ook in de armen. Deze aandoening noemen we perifeer arterieel vaatlijden (PAV).

Door de vernauwing stroomt er minder bloed door het vat. Dit brengt de bloedtoevoer naar de benen en daarmee de zuurstofvoorziening in gevaar, perifeer vaatlijden genoemd. In de spieren vindt een stofwisselingsproces plaats waarbij zuurstof gebruikt wordt. Bij een tekort aan zuurstof ontstaat een krampende pijn. Dit verschijnsel noemen we “Claudicatio Intermittens”, de medische term voor etalagebenen.
Wanneer de doorbloeding erg sterk is verminderd, kunt u ook pijn hebben wanneer u rust.

De meest voorkomende verschijnselen

Pijnbij het lopen is het belangrijkste verschijnsel van Claudicatio Intermittens.
Door de pijn kan men minder doen. Anders verschijnselen van een vernauwing kunnen zijn: koude voeten, ontbreken van onderhuidse vetlaag, verlies van haar op voeten en tenen, verdikte teennagels (vaak met schimmelinfectie) en een vertraagde nagelgroei.
Als gevolg van een slechtere doorbloeding kan het been bleek worden wanneer u het optilt en kan het rood verkleuren wanneer het been hangt.
Verwondingen aan de voeten die onschuldig lijken, kunnen leiden tot infecties.
Door de slechte doorbloeding kunnen bacteriën die op de huid leven zich namelijk sneller dan normaal uitbreiden en een infectie veroorzaken. Goede verzorging van de voeten en tijdelijke intensieve wondbehandeling zijn dan ook noodzakelijk.
Verschillende stadia’s van Perifeer arterieel vaatlijden
De ontwikkeling van PAV verloopt via vier stadia. Aan de hand van de klachten kan worden vastgesteld in welk stadium men zich bevindt.
Stadium 1:
Een vernauwing in de slagader in of naar het been; de afsplitsingen zorgen voor voldoende bloedtoevoer en er zijn geen klachten.
Stadium 2:
Claudicatio Intermittens (etalagebenen); na een bepaalde loopafstand treedt een stekende pijn (kramp) in het been op.
Stadium 3:
Rustpijn; tijdens het liggen is de doorbloeding onvoldoende en treedt er pijn op die manier wordt door het been af te laten hangen of zittend slapen.
Stadium 4:
Gangreen en/ of necrose; er is nauwelijks doorbloeding. Er treden gemakkelijk wondjes op door bijvoorbeeld nagels knippen of de druk van een schoen. Deze wondjes raken snel geïnfecteerd. Wanneer deze infectie zich uitbreidt ontstaan er donkerblauwe of zwarte verkleuringen (necrose is een droge wond, gangreen een natte wond). Nattend gangreen kan zich snel uitbreiden. Door necrose of gangreen sterft een stuk teen of voet af en is er amputatie nodig. Dit afstervingsproces gaat samen met voortdurige hevige pijn.

Hoe vaak komt het voor?
PAV komt voor bij 19,1% van de bevolking. Het voorkomen van Claudicatio Intermittens is minder, namelijk 1,6 - 2,0% van de algemene bevolking. Het vóórkomen stijgt met de leeftijd. Boven de 75 jaar komen er per jaar 10,6 patiënten per 1000 75-plussers bij. Tussen de 25 en 44 jaar is dit slechts 0,4 patiënten per 1000 mensen.
Prognose
De levensverwachting van patiënten met etalagebenen is gemiddeld 10 jaar korter dan die van gezonde personen. Er is een zeer sterk verhoogd risico op andere vormen van hart- en vaatziekten, zoals hartinfarcten, hersenbloedingen en chronisch hartfalen. De kans op overlijden is ongeveer 2 á 3 keer zo groot dan die bij leeftijdsgenoten zonder etalagebenen. Op den duur ervaart 75% van de patiënten met Claudicatio Intermittens stabilisatie of verbetering van de klacht. Bij 25% ontstaat binnen 5 jaar verergering van de klachten.

Risicofactoren die invloed hebben op het ontstaan en toename van de klachten

  • Niet beïnvloedbare risicofactoren zijn: leeftijd, geslacht, en aangeboren aanleg.
  • Wel beïnvloedbare risicofactoren zijn: roken, lichamelijke inactiviteit, overgewicht, suikerziekte (diabetes mellitus), hoge bloeddruk (hypertensie), cholesterol, en andere afwijkingen.

Fysiotherapeutisch onderzoek2
Wanneer u bij de fysiotherapeut komt, al dan niet met een verwijzing van de huisarts, zal de fysiotherapeut eerst een uitgebreid onderzoek uitvoeren.
Het doel van dit onderzoek is inventariseren van ernst, aard en mate van beïnvloedbaarheid van uw gezondheidsprobleem. De fysiotherapeut onderzoekt welke klachten bij u op de voorgrond staan, wat de prognose is en wat uw informatiebehoefte is.
Anamnese:
Door middel van een vraaggesprek probeert de fysiotherapeut inzicht te krijgen in:

  • de hulpvraag: de belangrijkste klachten en de verwachtingen;
  • het gezondheidsprobleem qua aard, beloop en de prognose;
  • inventarisatie van de huidige klachten (o.a. huidige gezondheidsprobleem, huidige behandeling en informatiebehoefte van de patiënt).

Meetinstrumenten
De fysiotherapeut kan gebruik maken van vragenlijsten om het exacte gezondheidsprobleem, de hulpvraag en de ernst van de klachten vast te stellen.
Bij de PSK (Patiënt Specifieke Klachten) selecteert u de drie belangrijkste klachten, waarna u op een schaal moet aangeven hoeveel moeite dit u kost.
Deze vragenlijst kan later in de behandeling nog een keer afgenomen worden om te inventariseren of er veranderingen zijn opgetreden in de ernst van de klachten en of de hulpvraag is veranderd.
Met behulp van een andere vragenlijst kan worden vastgesteld wat de informatiebehoefte van u is. Wat weet u nu over etalagebenen, wat is uw informatiebehoefte en op welk gebied ligt deze behoefte, weet u nu hoe de klachten verbeterd kunnen worden, wat zijn de verwachtingen over de behandeling?
Lichamelijk onderzoek:
Bij het onderzoek zal de fysiotherapeut een inspectie uitvoeren waarbij gekeken wordt naar de houding en het lopen. Daarnaast wordt de kwaliteit van de huid, o.a. de temperatuur, kleur, wondjes, bepaald.
Ook controleert de fysiotherapeut de pulsaties van de slagaderen in de benen in rust en eventueel na inspanning en de tonus (= spanning) van de bovenbeen- en kuitspieren.
Het functieonderzoek bestaan uit een inspanningstest, veelal de loopbandtest, ganganalyse en overige functieonderzoeken, zoals staan op één been en traplopen.
De loopbandtest is hulpmiddel om vast te stellen of er sprake is van een abnormale afname van het inspanningsvermogen. Tijdens de loopbandtest worden de pijnvrije looptijd en/of -afstand (waarbij de pijn begint) en de maximale looptijd en/of –afstand ( waarbij de patiënt moet stoppen) gemeten.
Behandeling 1
De behandeling is erop gericht om problemen door de klachten te beperken, tolerantie voor de pijn te vergroten en de risicofactoren voor aderverkalking te verminderen.
Inzet van de patiënt is hierbij erg belangrijk. Gedragsverandering, dit is onder andere het veranderen van levenstijl en ziekte-inzicht, is noodzakelijk om inspanningsbeperkingen te verminderen en het looppatroon te verbeteren.
De behandeldoel(en) wordt per patiënt bekeken en geleverd.

Sommige patiënten hebben genoeg aan het wandeladvies. Maar andere hebben weer een intensievere begeleiding door een fysiotherapeut nodig. Wanneer een behandeling door een fysiotherapeut niet voldoende is, is een ingreep in het ziekenhuis (dotter of bypass) nodig om de vernauwing van het bloedvat op te heffen. Ook na zo’n operatie kan een fysiotherapeutisch behandeling/begeleiding gewenst zijn.
Er kunnen medicijnen worden gebruikt om de risicofactoren voor hart- en vaatziekten, zoals hoge bloeddruk, hoog cholesterol en suikerziekte, te beïnvloeden. De medicijnen die momenteel beschikbaar zijn bij etalagebenen zijn geen vervanging voor looptraining, stoppen met roken of een chirurgische ingreep.

Behandeldoelen voor de fysiotherapie kunnen zijn: 2

  1. Vergroten van de loopafstand
  2. Verbeteren van het (duur)uithoudingsvermogen
  3. Verhogen van de pijntolerantie / leren "door de pijn heen te lopen "
  4. Overwinnen van angst voor inspanning
  5. Verbeteren van het looppatroon
  6. Ontwikkelen van een actieve leefstijl
  7. Verbeteren van specifieke vaardigheden, zoals traplopen
  8. Geven van informatie en voorlichting
  9. De fysiotherapeut heeft gestandaardiseerde hulpmiddelen om tijdens en na de behandelperiode te bepalen in hoeverre de behandeldoelen zijn verbeterd of bereikt. (zie ‘fysiotherapeutisch onderzoek’)

Referenties
1: Nederlandse Hartstichting; Etalagebenen : claudicatio intermittens; Den Haag, 2002
2: Jongert, M.W.A. et all, KNGF-richtlijn Claudicatio Intermittens: supplement bij het Nederlandse Tijdschrift voor Fysiotherapie, nummer 6/2003, Amersfoort

 

Copyright Pharmeon BV 2007

Naar boven